Super Mario en PacMan maken deel uit van cultureel erfgoed

16 jan
Klik om dit artikel als pdf te lezen

Klik om dit artikel als pdf te lezen

AMSTERDAM/PARIJS. Super Mario, PacMan, Donkey Kong. In de afgelopen decennia zijn deze figuren meer geworden dan alleen hoofdrolspelers uit computerspellen. Ze zijn, zo vindt een groeiende beweging wereldwijd, dat ze deel zijn gaan uitmaken van ons cultureel erfgoed.

Recent konden bezoekers van het Grand Palais in Parijs games als Pong en Street Fighter spelen. Vorig jaar heropende na elf jaar het Computerspielemuseum in Berlijn en ook in Frankrijk en Italië zijn plannen voor een permanente expositie. Vanaf deze week kent Nederland zelfs twee permanente gamesmusea.

„We vinden het belangrijk dat dit cultureel en industrieel erfgoed behouden blijft”, zegt John Groenewold, een van de twee eigenaren van het Bonami Spelcomputer Museum. De collectie, sinds eind juli vorig jaar te bezichtigen in het voormalige gemeentehuis van Epe (Gelderland), is voortgekomen uit de verzamelwoede van Groenewold en zijn vrouw Naomi. In Epe kunnen bezoekers 35 spelcomputers bespelen, bij het stel thuis staan er nog veel meer.

Ook Vincent Peroti, oprichter van het Game Museum Amsterdam (GMA), onderstreept het culturele belang van games. Het museum aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam gaat deze week open. „Sommige games hebben zoveel bekendheid gekregen – Donkey Kong, Space Invaders, PacMan – dat die zeker bewaard moeten worden”, zegt Peroti, op een van de zeven verdiepingen van het met eigen geld gehuurde museumgebouw. De ruimtes zijn nog leeg, op een paar fitnessapparaten na die herinneren aan de vorige huurder. Een week voor de opening moeten de arcadekasten en spelcomputers nog arriveren.

Het GMA zal spelcomputers exposeren uit de verzameling van ‘Epe’ en later ook van andere Nederlandse verzamelaars, maar het museum bouwt ook een eigen collectie op. De twintig medewerkers komen uit de bijstand, het museum fungeert als een reïntegratieproject. Het is ook een commerciële onderneming, met een toegangsprijs van 12,50 euro moet het museum zichzelf bedruipen.

Peroti: „We hebben exemplaren van Atari, Magnavox en arcadekasten met Pong. Er zijn nog objecten die we graag willen hebben, maar die bij Nederlandse verzamelaars niet te vinden zijn, zoals een bepaalde kast van Space War. Dat is een arcadespel uit de jaren zestig, die al gauw tussen de 10.000 en 20.000 euro kost.”

Bezoekers van de tentoonstelling Game Story in Parijs. (Foto Peter Teffer)

Bezoekers van de tentoonstelling Game Story in Parijs. (Foto Peter Teffer)

De gamesindustrie levert jaarlijks miljarden op, maar ook cultureel zijn games een factor van belang geworden, zegt Jean-Sébastien Brugalat, van de Franse organisatie MO5.com, die zich inzet voor de conservering van cultureel invloedrijke games en een permanent gamesmuseum. „Vroeger werden videogames geïnspireerd door films. Nu zien we dat veel films zijn voortgekomen uit games”, zegt Brugalat in het Grand Palais in Parijs. Dat statige museum huisvestte tot vorige week de door MO5.com samengestelde expositie ‘Game Story’, over de geschiedenis van het computerspel. De expositie trok 56.000 bezoekers, gemiddeld 1.000 per dag.

„Videogames worden door zo veel mensen gespeeld. Meer en meer wordt het belang van games erkend door instituties, zoals het Grand Palais.” Brugalat wijst op het feit dat in deze vleugel van het museum bezoekers een potje gamen, terwijl verderop werken van Picasso en Cézanne hangen. Niet alleen het Grand Palais, maar ook het gerenommeerde Smithsonian in Washington ziet het belang van games. In maart begint daar de tentoonstelling ‘The Art of Video Games’. En begin vorig jaar stonden er in galerie Mediamatic in Amsterdam arcadekasten omdat deze, zo zei directeur Willem Velthoven, „onderdeel van de kunstgeschiedenis” zijn geworden.

Over de vraag of games kunstwerken kunnen zijn wordt al een tijdje gedebatteerd. Filosoof Rob van Grinsven studeerde vorig jaar af aan de Universiteit Utrecht met de scriptie ‘Games als Kunst?’ waarin hij dit debat onderzocht. „Instituten als het Smithsonian proberen van games kunst te maken door ze in het museum te exposeren. Maar iets is niet meteen kunst zodra het in een museum staat. Dat zou ook geen nuttig criterium zijn om de vraag ‘wat is kunst’ te beantwoorden, sterker nog, het is een cirkelredenering. Er is niet één instituut of één criterium dat deze vraag kan beantwoorden, maar het gaat om een complex samenspel van de kunstenaar en zijn intenties, het kunstwerk, het publiek, de instituties, kunstopleidingen, musea et cetera”, aldus Van Grinsven.

In ieder geval is een van de obstakels voor games om als kunst te worden gezien, aan het verdwijnen. De interactiviteit die inherent is aan het medium, stuitte in het verleden op weerstand in de kunstwereld. Maar dat is aan het verschuiven. Van Grinsven: „Dat komt vooral doordat de rol van het publiek ook in de traditionele kunstwereld aan het veranderen is. Interactiviteit wordt steeds meer geaccepteerd, bijvoorbeeld bij installatiekunst of theater. Maar het is vooral traditionele kunst die meer op games gaan lijken, dan andersom.”

Net als in het Bonami kunnen bezoekers van het GMA in Amsterdam er zelf ook videogames spelen, vertelt oprichter Peroti. „We streven er naar om van elk apparaat twee exemplaren te hebben. Er kan er dan een bewaard blijven voor het nageslacht en bezoekers kunnen het spel spelen op het andere exemplaar.”

NES op de tentoonstelling Game Story. (Foto Peter Teffer)

NES op de tentoonstelling Game Story. (Foto Peter Teffer)

Een probleem met het bewaren van games in vergelijking met andere culturele uitingen zoals schilderkunst of beeldhouwwerken, is dat de dragers van de spellen snel verouderen en relatief makkelijk stuk kunnen gaan. De Japanse fabrikant Nintendo alleen al heeft sinds het Nintendo Entertainment System (NES, 1983) ruim dertig verschillende gamesconsoles uitgebracht. Hoe behoud je spellen die gemaakt zijn voor apparaten die niet meer geproduceerd worden? Een methode is emulatie, het nabootsen van het oude systeem op bijvoorbeeld een pc. Zo heeft MO5 voor de expositie in Parijs de Amerikaanse console ColecoVision geëmuleerd, omdat de organisatie het origineel niet te pakken kreeg.

John Groenewold van het Bonami Museum ziet niets in de ‘emulator’-beweging. „Ik vind het beter om dan de console zelf opnieuw te bouwen. Je moet zo’n game toch in de originele staat spelen?”

Gepubliceerd op maandag 16 januari 2012 in NRC Handelsblad

About these ads

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 796 andere volgers