Nederlandse kranten probeerden al eerder het publieke bestel open te breken

24 Mrt

De ironie van deze geschiedenis is herhaling

Op 1 april wordt bekend of, en welke, nieuwe publieke omroepen er bij komen. Vijftig jaar geleden waren het ook de kranten die probeerden zendtijd te krijgen.

Nog een week en we weten welke nieuwe publieke omroepen Nederland er vanaf 2010 mogelijk bij krijgt Wordt het PowNed, de omroep van nieuwsblog GeenStijl.nl? Of Wakker Nederland, het initiatief van De Telegraaf? Allebei misschien?

Mocht het PowNed en/of Wakker Nederland worden, dan zou je dat met enig recht de ironie van de geschiedenis kunnen noemen. Want het waren halverwege de jaren vijftig de kranten die als een van de eersten probeerden het publieke bestel binnen te komen.

Tijd voor een korte geschiedenis van het bestel.

Het bestel begon na een aantal jaren van proefdraaien op 2 oktober 1951 met de eerste televisie-uitzending: de Nederlandse film De Toverspiegel. In plaats van er een feestje van te maken, sprak verantwoordelijk staatssecretaris Cals (Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen) sobere woorden ter inleiding, waarin hij wees op het gevaar van televisie.

Cals zei: „We moeten ervoor zorgen dat de techniek een middel blijft en niet een doel op zichzelf, anders zou het automatisch de dood van de cultuur kunnen betekenen. De regering is zich ten hoogste bewust van haar verantwoordelijkheid in deze en heeft slechts in déze concessie verleend aan de Nederlandse Televisie Stichting.”

Die NTS was een samenwerkingsverband van vijf al bestaande radio-omroepen: KRO, NCRV, VARA, VPRO en AVRO. De verzuilde omroepverenigingen vertegenwoordigden respectievelijk katholieken, protestant-christelijken, arbeiders en vrijzinnig protestanten. Alleen de AVRO had geen ‘zuil’ als achterban maar was een ‘algemene’ omroep.

Toen de televisie een succes bleek, wilden al snel ook andere groepen het recht om televisieprogramma’s uit te zenden. Zo’n groep was de in november 1957 opgerichte Onafhankelijke Televisie Exploitatie Maatschappij (OTEM), een fusie van twee organisaties die in de twee jaar daarvoor apart al hadden geprobeerd een zendvergunning te krijgen.

De OTEM bestond uit bedrijven (Douwe Egberts, C&A, Heineken) en dagbladen (De Volkskrant, Het Parool, de Nieuwe Rotterdamse Courant en De Telegraaf). De OTEM zag als maatschappelijke taak van de televisie het aanbieden van informatie, cultuur en vooral ontspanning. Dat laatste was nieuw, net als de financiering die de bedrijven en kranten voorstelden: de organisatie wilde de uitzendingen financieren met reclame.

De omroepen die al zendvergunningen hadden, stonden uiteraard niet te springen om nieuwkomers, zeker niet doordat de zendtijd aanvankelijk beperkt was. In hun eigen bladen schreven de omroepen dat ze bang waren dat dit soort commerciële televisie plat en oppervlakkig zou worden.

„Het culturele wordt dienstbaar gemaakt aan, ja wordt geëxploiteerd ten bate van het commerciële. Daartegen richt zich ons verzet”’, stond in de Omroepgids van de NCRV op 8 februari 1964. VPRO-gids Vrije Geluiden schreef enkele weken later dat er met reclame op televisie niets mis was, maar dat „het culturele peil van de televisieprogramma’s gehandhaafd dient te blijven, zo niet opgevoerd”.

De omroepen haalden hun gelijk: de dagbladen traden niet toe tot het publieke bestel. Het Parool, één van de deelnemers in het OTEM-project, verwachtte dat zonder nieuwe zenders „de arrogantie en zelfgenoegzaamheid van de omroepverenigingen eerder [zal] toe- dan afnemen. En voor onafzienbare tijd zal het publiek daarmee opgescheept zitten.”

Dit debat en de uitkomst ervan moeten ook worden gezien in het licht van de dreigende ontzuiling. Een katholiek kreeg via zijn katholieke krant niet al te veel geluiden van protestanten of arbeiders tot zich, maar televisieprogramma’s waren beschikbaar voor iedereen met een toestel. En waren dat er begin jaren 50 nog maar enkele duizenden, in 1962 ging het al om één miljoen. Nieuwe omroepen die zich tot een algemeen publiek richtten, zouden dus wel eens kunnen leiden tot afbladdering van de zuilen.

Dus verdedigden begin jaren 60 de politieke partijen de belangen van ‘hun’ omroepverenigingen: de katholieke KVP de KRO, de protestants-christelijke ARP de NCRV, etcetera. ARP-fractievoorzitter Bruins Slot zei te verwachten dat televisie zoals die de kranten voor ogen stond gedwongen zou zijn „om de andere omroeporganisaties uit de ether te dringen en daarbij functioneert het appèl op het edele in een mens slecht”. Het ging hen niet „om de cultuur, maar om het geld”, aldus Bruins Slot in een Kamerdebat in maart 1963 over een nota van staatssecretaris Scholten (Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen) en zijn collega Veldkamp (Economische Zaken).

Scholten (CHU) en Veldkamp (KVP) waren vóór reclame op de televisie, omdat dit de economie zou kunnen stimuleren. Ze hadden ook een ideologische drijfveer: het recht op vrije meningsuiting.

Tenslotte was er een tweede televisienet begonnen. Het zou niet eerlijk zijn om de programmering van dat tweede net alleen te laten verzorgen door omroepen die al een zendmachtiging hadden.

Maar de nota haalde het niet. Pas toen in 1963 een plan bekend werd voor een commerciële televisiezender vanaf de Noordzee (dus buiten de Nederlandse territoriale wateren) besloot het kabinet om haast te maken. TV-Noordzee was in 1964 slechts vier maanden in de lucht, maar zorgde er wél voor dat het kabinet-Marijnen probeerde een oplossing te vinden voor ‘het televisievraagstuk’.

Tevergeefs: wegens onenigheid over de omroepkwestie viel het kabinet. Uiteindelijk kwam er pas een compromis in 1965 onder het kabinet-Cals (ja, dezelfde van het sobere praatje). Het ging om een ‘tijdelijk overgangsbestel’, dat enkele jaren later werd vervangen door de Omroepwet. In die wet uit 1969 werd vastgelegd dat:

1. reclame wordt toegestaan op de publieke netten en dat

2. nieuwe omroeporganisaties mogen toetreden als ze genoeg leden hebben en een bepaalde stroming in de samenleving vertegenwoordigen.

De eerste nieuwe omroep die van het ‘tijdelijk omroepbestel’ gebruikmaakte was de TROS, voortgekomen uit TV-Noordzee. Met de allereerste uitzending van de TROS op 2 oktober 1966 was, zoals de omroep in het eerste nummer van het omroepblad schreef het „het open bestel (…) een feit geworden”.

Het publieke bestel dat begon met vijf omroepverenigingen met leden kent er nu tien. Sinds de TROS werd het bestel uitgebreid met de EO in 1970, BNN in 1998, MAX en LLiNk in 2005. Veronica maakte van 1976 tot 1995 uit van het bestel, waarna het ‘commercieel ging’. Daarnaast is er een aantal organisaties zonder leden maar met een zendvergunning, zoals de IKON en Teleac/NOT.

Alleen de kranten die bij die eersten hoorden die het bestel wilden openbreken, ontbraken tot nu toe. Maakt De Telegraaf een kans? Zeker is dat nu er weer nieuwe aspirant-omroepen staan te trappelen om zendtijd, het wordt dringen geblazen. Vandaar dat een zogeheten visitatiecommissie eind april komt met een rapport waarin zij mogelijk adviseert de vergunning voor een of meerdere omroepen in te trekken.

Dan zou de angst van ARP-fractievoorzitter Bruins Slot bewaarheid kunnen worden dat een van de bestaande omroepen Hilversum moet verlaten.

Peter Teffer

Gepubliceerd op 24 maart 2009 in nrc.next.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s