De nieuwe muur is een cybermuur

30 Jun

Grenzeloos web wordt alom betwist territorium

De onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting op internet groeit. Wie is daar verantwoordelijk voor? Autoritaire regimes? Of de softwaremakers?

Rotterdam, 30 juni. Als het aan de kritische Chinese kunstenaar Ai Weiwei ligt, is het morgen stil op de Chinese digitale snelweg. De ontwerper van het Olympische ‘Vogelnest’-stadion heeft opgeroepen tot een 24-uursboycot van het internet op 1 juli. Dan wordt het omstreden internetfilter Green Dam verplicht op nieuwe pc’s, dat controleert of bezochte websites pornografie en politiek gevoelig materiaal bevatten. De boycot is een stil protest tegen de groeiende onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting op internet.

Maar ‘netizens’ (internetburgers) staan niet meer alleen. Ook buiten de virtuele wereld wordt steeds meer geprobeerd om internetcensuur te bestrijden. De vraag is wie er verantwoordelijk moet worden gesteld: de veelal autoritaire regimes van de landen waar internetcensuur plaatsvindt – of de bedrijven die de techniek leveren.

Toen de Franse Constitutionele Raad op 10 juni bepaalde dat vrije toegang tot internet een fundamenteel mensenrecht is, deed de raad die uitspraak om een wet tegen illegaal downloaden ongrondwettelijk te verklaren. Maar de uitspraak, gebaseerd op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1789, kwam wel als een steun in de rug voor de Iraniërs. Die begonnen enkele dagen later aan hun protest tegen de verkiezingsuitslag. Een deel van dat protest vond op internet plaats.

Eigenlijk was een expliciete uitspraak over het recht op vrij internet niet nodig, zegt Leslie Harris, voorzitter van het Center for Democracy & Technology in Washington. In het Handvest van de Verenigde Naties (1945) en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (1966) is vastgelegd dat iedereen recht heeft op vrije meningsuiting en vrije meningsgaring „met behulp van (…) media naar zijn keuze”. Harris: „Dus ook via internet – en andere media die we nog niet hebben bedacht.”

Maar volgens de auteurs van Acces Denied: The Practice and Policy of Global Internet Filtering, Mary Rundle en Malcolm Birdling, kunnen autoritaire regimes zorgeloos de vrijheid van (online) meningsuiting aan hun laars lappen. Dat komt doordat internationale mensenrechteninstellingen nauwelijks middelen hebben om druk uit te oefenen, schrijven ze in hun vorig jaar verschenen boek.

En in landen waar de vrijheid van internet wordt beknot, is het vrijwel onmogelijk om via het recht gelijk te halen. Zo tekende de Tunesische blogger Zied el-Heni in september 2008 protest aan tegen een twee weken durende blokkade van netwerksite Facebook. De rechtbank wees de zaak af.

Omdat het volgens Rundle en Birdling niet haalbaar is om het gedrag van censurerende staten te veranderen, pleiten ze ervoor de bedrijven aan te pakken die het censureren mogelijk maken. In de Verenigde Staten is vorige maand een wetsvoorstel ingediend dat dit mogelijk moet maken: de Global Online Freedom Act.

De wet is bedoeld om te voorkomen dat Amerikaanse bedrijven autoritaire regimes helpen om het internet te censureren. Een bedrijf dat gehoor geeft aan een verzoek van een repressief regime om opgeslagen persoonsgegevens te delen, zou een boete moeten krijgen.

De wet moet herhaling voorkomen van de gebeurtenissen in 2004. Toen arresteerde de Chinese politie dissident Shi Tao met behulp van gegevens die de autoriteiten verkregen via internetbedrijf Yahoo. Shi kreeg tien jaar celstraf. En vorige week nog kwam een joint venture van het Finse Nokia en het Duitse Siemens in opspraak. Die had een systeem verkocht aan het Iraanse telefoonbedrijf Irantelecom, waarmee het dissidenten in de gaten kan houden.

In Brussel heeft de Nederlandse Europarlementariër Jules Maaten (VVD) herhaaldelijk gepleit voor een Europese variant van de Global Online Freedom Act. „De recente ontwikkelingen in Iran hebben alleen maar de noodzaak versterkt om hier iets aan te doen”, aldus Maaten, die na de zomer niet terugkeert in het parlement. Zijn Oostenrijkse collega-parlementariër Eva Lichtenberger (Groenen) laat per e-mail weten dat zij met haar bondgenoten zal aandringen op zo’n wet bij de nieuwe Europese Commissie, het dagelijkse bestuur van de Europese Unie.

De Europese Commissie aarzelt volgens Maaten nog, omdat bij de Europese bevolking weerzin bestaat tegen meer regulering. „En de bedrijven waarom het gaat, zoals Nokia en Siemens, zijn vaak European champions. Maar ik zou het kwalijk vinden als er in de VS wél een wet komt en de Europeanen achterblijven.”

Leslie Harris van het Center for Democracy & Technology ziet niet zoveel in de nieuwe Amerikaanse wet. „Ik vind niet dat je de verantwoordelijkheid moet verschuiven van regeringen naar bedrijven.” Daarbij, als een internetbedrijf weigert om mee te werken met een land als bijvoorbeeld China, dan zal dat land volgens Harris tegen het bedrijf zeggen: pak uw spullen maar.

Vorige week woensdag was zoekmachine Google en zijn e-mailservice Gmail uren niet bereikbaar in China. De blokkade volgde op het verwijt van Chinese staatsmedia dat via Google pornografisch materiaal te vinden zou zijn. Waarnemers spreken van een ‘waarschuwingsschot’ op Google.

Harris’ organisatie ziet meer in (en werkt mee aan) het Global Network Initiative. Dat is een ethische gedragscode voor bedrijven, waarin staat dat vrijheid van meningsuiting en privacy gewaarborgd moeten worden. Het Global Network Initiative is eind oktober vorig jaar begonnen; marktleiders Google, Yahoo en Microsoft doen mee.

Maar ook daar heeft niet iedereen vertrouwen in. De Tunesische blogger Sami Ben Gharbia bijvoorbeeld, hoofd van de stichting Global Voices Advocacy, zegt: „Bedrijven doen daar alleen aan mee voor hun imago.” Hij gelooft niet in de gedragscode.

Vooralsnog moeten online activisten zelf manieren vinden om hun onvrede langs de ‘cybermuur’ te loodsen. In Iran is de toegang tot internet sinds de verkiezingen beperkt, maar toch lukte het een aantal Iraanse cyberdissidenten om de buitenwereld te bereiken met berichten en foto’s. Dat lukt ze juist dankzij dat internet, waarmee tips en software worden uitgewisseld om de censuur te omzeilen.


Steeds meer censuur, vooral in China en Iran

De vrijheid van meningsuiting op internet staat onder druk. De afgelopen jaren hebben meer regeringen geprobeerd om internetpagina’s te censureren, aldus de Amerikaanse organisatie Freedom House in het rapport Freedom on the Net.

Freedom House onderzocht de vrijheid op internet van vijftien landen, op basis van 19 criteria. Het meest vrije land dat werd onderzocht, was Estland. Iran en China behoorden tot de minst vrije onderzochte landen.

Volgens de persvrijheidsorganisatie Verslaggevers zonder Grenzen zijn vorig jaar 59 bloggers gearresteerd. In 2007 waren dat er nog 37. Meestal zijn deze arrestaties in het Midden-Oosten en Azië.

„Regeringen doen meer pogingen om internet onder controle te krijgen, sinds de overgang van web 1.0 naar web 2.0”, zegt Leslie Harris van het Center for Democracy & Technology. Met web 2.0 worden sociale media bedoeld die vooral door gebruikers zelf worden gevuld.

Dankzij web 2.0 hebben mensen nu de mogelijkheid om zich te organiseren. „En dat wordt gezien als een bedreiging”, zegt Leslie Harris.


Maar ook westerse landen krijgen internetfilters

Internetcensuur komt niet alleen voor in landen met een slechte reputatie op het gebied van mensenrechten zoals China en Iran. In Zuid-Korea mogen mensen die op internet willen reageren of iets uploaden dat alleen nog onder hun echte naam doen.

In Australië is een nationaal internetfilter in de maak, officieel bedoeld om kinderporno tegen te gaan. Gevreesd wordt dat ook controversiële sites over bijvoorbeeld euthanasie verboden worden.

Ook in Duitsland keurde de Bondsdag vorige week een internetbeperkende wet goed. De Duitse wet geeft de politie de mogelijkheid om bepaalde websites te blokkeren.

Pierre-François Docquir, jurist bij het Centre Perelman de Philosophie de Droit in Brussel, heeft bezwaren tegen de Duitse wet. „Kunnen we de politie wel vertrouwen? Eén van de redenen waarom de Franse Constitutionele Raad de wet op downloaden afkeurde, was omdat dit soort beslissingen alleen door een rechter kunnen worden genomen.”

Gepubliceerd op 30 juni 2009 in nrc.next en NRC Handelsblad.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s