Internet & dagelijks leven, Interview, NRC Handelsblad

Interview met Google-criticus Siva Vaidhyanathan

‘We zijn niet allemaal exhibitionisten’

Amerikaanse Google-criticus Siva Vaidhyanathan hekelt privacyregels van internetdiensten

Google en Facebook moeten hun privacybeleid snel verbeteren, vindt mediaprofessor Siva Vaidhyanathan. De regels zijn nog ondoorzichtig.

Amsterdam, 30 okt. Siva Vaidhyanathan heeft zich nooit aangemeld voor Farmville, de populaire virtuele boerderij van sociaal netwerk Facebook. Toch kent Farmville Vaidhyanathan. „Dat spelletje weet van alles van me, alleen omdat mijn zus het speelt..”

Drie van de tien populairste Facebook-apps spelen ongevraagd gegevens door, werd onlangs bekend. Dat illustreert volgens de Amerikaanse cultuurhistoricus Vaidhyanathan dat Facebook het begrip privacy niet begrijpt. Net als meer internetbedrijven, vertelt Vaidhyanathan. Hij was deze maand in Nederland om een lezing te geven over privacy en zijn nog te publiceren boek, The Googlization of Everything.

Doorgaan met lezen “Interview met Google-criticus Siva Vaidhyanathan”

Boekrecensie, Internet & dagelijks leven, NRC Handelsblad

Recensie Nicholas Carr – The Shallows

De afleidingsbusiness boert goed

Volgens Nicholas Carr is internet ‘de grote vervlakker

Peter Teffer

Maakt internet ons dommer? De Amerikaanse schrijver over technologie Nicholas Carr denkt van wel, maar zijn bewijsvoering is dun. Toch goed dat Carr niet de inhoud, maar de betekenis van het net heeft onderzocht.

Het is weer een klein wonder dat u dit artikel voor u heeft. Niet alleen is het bijzonder dat de deadline is gehaald – tijdens de voorbereiding en het schrijven ervan heb ik me laten afleiden door e-mail, nieuwssites, internetbankieren en Twitter. Ik mag vooral blij zijn dat het me überhaupt is gelukt om het te recenseren boek, The Shallows: What the Internet is Doing to Our Brains, uit te lezen. Nicholas Carr beweert namelijk in dat boek dat veelvuldig gebruik van internet ertoe bijdraagt dat we ons concentratie- en reflectievermogen kwijtraken.

Goed, ik overdrijf. Het wereldwijde web heeft ons nog niet tot holbewoners gereduceerd. Maar herkenbaar is de gedachte die Carr in zijn boek onderzoekt wel. Hij vermoedt dat internet ons vermogen om te beschouwen afbreekt. ‘Ooit was ik een duiker in een zee van woorden. Nu vlieg ik over het oppervlak als iemand op een jetski.’ Het boek is een uitbreiding op zijn roemruchte artikel uit 2008 in The Atlantic getiteld: ‘Is Google Making Us Stupid?’

Carr schrijft vlot, maar laat de lezer heel lang wachten voor hij met meer dan alleen anekdotisch bewijs komt. Dat hij eerst uiteenzet hoe de menselijke hersenen werken (en vooral dat die werking kan veranderen) en vervolgens de geschiedenis van de leescultuur beschrijft, is belangrijk voor zijn betoog. Maar pas op de helft van het boek beantwoordt Carr de ‘cruciale vraag’: wat kan de wetenschap ons vertellen over het effect dat internet heeft op de manier waarop onze hersenen werken? De auteur zet een aantal recente experimenten en hun uitkomsten op een rij. Zo is het lezen van een tekst op internet volgens hem moeilijker dan het lezen van een tekst op papier. Een van de redenen is dat webtekst volstaat met hyperlinks, die verwijzen naar andere pagina’s of sites. Elke keer als je als lezer zo’n link tegenkomt, moet je brein beoordelen of die link het klikken waard is. Het probleemoplossende gedeelte van het brein krijgt dan de overhand op de breinregio’s die zich bezighouden met tekstinterpretatie.

Bezoekers van websites lezen sowieso minder aandachtig, ze spenderen tussen de 19 en 27 seconden op een webpage. Nederlanders horen bij de snelsten ter wereld: net als Israëliërs zijn Nederlanders gemiddeld binnen 14 seconden alweer op de volgende pagina. Een Chinees blijft gemiddeld 42 seconden hangen. Ook is het volgens Carr bewezen dat mensen die veel ‘multitasken’, meer taken tegelijk uitvoeren, meer op de automatische piloot werken en gemakkelijker zijn afgeleid. Uit een ander experiment bleek dat studenten die tijdens een les informatie over de lesstof op internet mochten opzoeken het slechter deden dan studenten die dat niet mochten.

Maar, schrijft Carr, internet is dan ook niet gemaakt om educatief te zijn. ‘Het Net is opzettelijk een onderbrekingssysteem, een machine gericht op het verdelen van aandacht.’ En: de grote internetbedrijven hebben er een commercieel belang bij om dat zo te houden. Hoe meer webpagina’s ik bezoek, hoe beter bedrijven als Google weten wie ik ben en welke advertenties bij mij passen. ‘Het laatste wat [Google] wil is het bemoedigen van ontspannen lezen of langzaam geconcentreerd denken. Google zit letterlijk in de afleidingsbusiness.’

De uitkomsten van de experimenten zijn interessant, maar niet overtuigend genoeg om de centrale these van het boek aan te nemen. Daarvoor was toch meer kwantitatief onderzoek nodig geweest waaruit blijkt dat mensen aantoonbaar stommer worden door internet.

Hoewel het nog te vroeg lijkt om de definitieve invloed van het nieuwe digitale medium – twintig jaar geleden gebruikten nog maar weinig mensen internet – te bepalen, is het goed dat Carr dit boek heeft geschreven. Te vaak gaan discussies over wat er op internet gebeurt (kinderporno, gewelddadige games, digitale jihad) en niet over de betekenis van de technologie. Het klinkt waarschijnlijk dat, zoals Carr schrijft, het net een vergelijkbare impact op ons zal hebben als de plattegrond en de klok, uitvindingen die Carr ‘intellectuele technologieën’ noemt. Zo veranderde de klok het menselijk denken: omdat de klok zijn eigenaar constant herinnerde aan tijd is die verstreken, stimuleerde de technologie productiviteit en individualisme. Daarom is het belangrijk om nu als samenleving na te denken over vragen als ‘is het erg als we internet functies laten overnemen waarvoor we tot nu toe ons brein hebben gebruikt? En waarom bijvoorbeeld nog jaartallen onthouden, ik kan het toch zo op internet vinden via mijn iPhone of laptop?

Carr citeert enkele auteurs die geen problemen hebben met het ‘outsourcen’ van geheugencapaciteit aan internet. Waarom is dat erg? Een specifiek jaartal onthouden is niet per se belangrijk, betoogt Carr, maar de oefening wel. Bij het aanmaken van herinneringen, vooral het proces waarbij iets van het kortetermijngeheugen naar het langetermijngeheugen verhuist, groeit ook het aantal synapsen in het brein. ‘Met elke uitbreiding van ons geheugen komt een vergroting van onze intelligentie.’

Het is nog te vroeg om te zeggen of internet echt zo’n revolutionaire uitvinding blijkt te zijn. In een recent artikel in de Britse krant The Observer vraagt professor John Naughton de lezer zich voor te stellen dat hij in plaats van nu, zeventien jaar na de popularisering van internet, in 1472 leeft, zeventien jaar na de uitvinding van Johan Gutenbergs drukpers. Hoeveel mensen zouden voorspellen dat de uitvinding van Herr Gutenberg de autoriteit van de Katholieke Kerk zal ondermijnen en de opkomst van moderne wetenschap in staat zal stellen? De 15de-eeuwse Duitser zou u voor gek verklaren.

Vooralsnog kan het geen kwaad om het impliciete advies van Carr te volgen. Aan het einde van zijn boek schrijft hij dat het doorbrengen van tijd in de natuur de aandacht verbetert. Dat is ook precies wat Carr heeft gedaan om het boek te schrijven: hij zegde zijn Twitter-account op, liet zijn e-mailprogramma minder vaak nieuwe mails ophalen en verhuisde naar de bergen. Toch sloeg hij eenmaal terug in de stad weer meteen aan het bloggen en YouTube-filmpjes kijken. ‘Ik geef toe: het is cool.’ Uiteindelijk geldt dan voor surfen op internet wat voor zoveel dingen in het leven geldt: geniet, maar liefst met mate.

Waarom bijvoorbeeld jaartallen onthouden, ik kan het toch zo op internet vinden via mijn iPhone?

Nicholas Carr: The Shallows: What the Internet is Doing to Our Brains. W.W. Norton & Company, 276 blz. € 25,-

Gepubliceerd op 6 augustus 2010 in de bijlage Boeken van NRC Handelsblad en op nrcboeken.nl.

Achtergrond, Internet & dagelijks leven, Internet & politiek, NRC Handelsblad

Facebook en Google zetten standaard op internet

Bij gebrek aan supranationale autoriteit bepaalt Silicon Valley nu de grenzen van online privacy

Internetbedrijven bepalen wat privacy op internet betekent. Zoveel mogelijk openheid is voor hen ook commercieel interessant. Niet overal is eroderende privacy zonder risico.

Rotterdam, 22 juli. Twee twitteraars zijn deze maand opgepakt in Venezuela omdat ze „valse geruchten” zouden hebben verspreid waarmee ze „het nationale bankensysteem wilden destabiliseren”. Volgens persbureau AFP vond de politie de twee door de mobiele telefoon te traceren waar vanaf de tweets zouden zijn verstuurd. Negen tot elf jaar celstraf hangt hen boven het hoofd.

Internetbedrijven propageren openheid en stimuleren gebruikers om hun persoonlijke gegevens te delen, maar niet overal is dat zonder risico. „In Silicon Valley werken welgestelde lui die niets te verliezen hebben bij meer openbaarheid over hun leven”, zegt Evgeny Morozov, blogger en onderzoeker in de VS, telefonisch vanuit zijn geboorteland Wit-Rusland. Veel belangrijke internetbedrijven, zoals Google, Facebook en Yahoo, zetelen in die Californische regio. Samen bepalen zij wat privacy op het net betekent. „Hun referentiekader is Silicon Valley, niet Teheran, Peking of Kairo”, aldus Morozov, die een boek schrijft over internet in landen met autoritaire regimes. „Tienduizend gekke mensen” die alles over hun leven met iedereen willen delen leggen zo hun normen op aan de rest van de wereld.

Doorgaan met lezen “Facebook en Google zetten standaard op internet”

Internet & dagelijks leven, nrc.next

Week zonder Google

In februari 2010 leefden Ernst-Jan Pfauth en Peter Teffer een week zonder gebruik te maken van Google(-diensten). Over hun ervaringen schreven ze op het blog van nrc.next. De blogs van Peter:

Google 4 – Peter 0

Iedereen maakt gebruik van Google Maps

Werkweigering is ook wat overdreven

Maakt het internet ons dommer?

Beluister ook de uitzending van het TROS-radioprogramma Radio Online, waarin Peter over de Week zonder Google vertelt.

Internet & dagelijks leven, Internet & politiek, Interview, NRC Handelsblad, nrc.next

Interview met mediatheoreticus Geert Lovink over Google

Pas op voor mega-bedrijf Google, dat lijdt aan data-obesitas, zegt mediatheoreticus Lovink

Door Peter Teffer

Amsterdam. De ‘buzz’ rond Google Buzz is alweer voorbij. Een grafiek op Google News – een van de vele andere diensten van het Amerikaanse internetbedrijf – die het aantal dagelijkse nieuwsartikelen bijhoudt, toont dat de piek van aandacht voor Google’s sociale-netwerkdienst rond 18 februari ligt. Die dag verschenen ongeveer honderd artikelen over de kritiek die Google kreeg nadat Gmail-contacten van Buzz-gebruikers openbaar bleken te zijn.

Juist daar ligt volgens mediatheoreticus en activist Geert Lovink het probleem. Er is even gedoe, media springen op het onderwerp en vervolgens ebt de aandacht weer weg. Structureel onderzoek naar wat Google doet en naar wat Google met ons doet, vindt nauwelijks plaats. „Elke keer als er een incident is, zoals nu weer met Google Buzz, moeten we weer van voor af aan reconstrueren waar het mis is gegaan. Nu concentreert de aandacht zich even op privacy, maar dat is maar een van de aspecten. Google is nu zo groot, dat het voor een individu onmogelijk is om de strategieën van dit bedrijf volledig te begrijpen.”

Lovink doet zijn best, met het lectoraat Instituut voor Netwerkcultuur, dat hij in 2004 heeft opgericht aan de Hogeschool van Amsterdam. „Maar het is voor individuen niet bij te houden. Dat zouden we eerst moeten erkennen.”

Google is overal. In zijn essay The society of the query and the Googlization of our lives (tiende zoekresultaat als je googlet naar ‘googlization’) uit 2008 waarschuwt Lovink de internetters voor een al te naïef geloof in Google, een bedrijf dat lijdt aan „data-obesitas”. Hij schrijft: „Het voornaamste doel van deze cynische onderneming is om gedrag van gebruikers in de gaten te houden om verkeersdata en profielen te verkopen aan geïnteresseerde derden.” Gebruikers van Google realiseren zich niet dat de gratis diensten die ze gebruiken worden ‘betaald’ met informatie over hun surfgedrag.

Twee jaar later „dendert de lawine van applicaties” die Google ontwerpt nog steeds door, maar zijn er wel meer mensen gekomen die vraagtekens bij het bedrijf zetten, vertelt Lovink in zijn werkkamer op de Hogeschool van Amsterdam. „Op sommige punten is meer besef gekomen over de groeiende macht van dit bedrijf.” Vooral de projecten Google Book Search en Google Street View zijn enigszins omstreden.

Lovink (zijn boek Dark Fiber uit 2003 is een van zijn publicaties die grotendeels zijn te lezen op books.google.com, zonder zijn toestemming) maakt zich vooral druk over Google Book Search, wat de grootste digitale bibliotheek ter wereld moet worden.

Dat alle werken van cultureel en publiek belang gedigitaliseerd worden, daar is boekenliefhebber Lovink een groot voorstander van. „Maar dat één bedrijf al ons nationaal erfgoed gaat beheren en daar geld aan gaat verdienen, dat kunnen we niet toestaan. Ons cultureel erfgoed is niet van Google. Dat is van ons allemaal.” De uitvoering en het onderhoud kan volgens Lovink prima worden uitbesteed aan bedrijven, mits de verantwoordelijkheid maar ligt bij overheidsinstellingen als het Nationaal Archief of de Nederlandse bibliotheken.

Het boekenproject is nog maar één onderdeel van wat Google doet. Google is inmiddels „velen”. In Australië bekritiseert Google het regeringsplan voor een internetfilter, in China blijft het de komende jaren meewerken aan het censureren van zoekresultaten.

Hypocriet? „Nee, dat is niet het juiste woord. En we moeten Google niet iets verwijten, maar onszelf. In ons hoofd klopt het niet, omdat we denken dat deze twee strategieën [kritiek op Australië, medewerking in China – red.] niet naast elkaar kunnen bestaan. Wij zijn niet in staat om de vele strategiën van dit bedrijf te begrijpen, laat staan dat we erop kunnen anticiperen.”

Het onderzoek dat op universiteiten wordt gedaan, loopt volgens Lovink ongeveer tien jaar achter. „De focus is nu heel erg gericht op het ontwikkelen van alternatieve zoekmachines voor de ouderwetse pc-browser, terwijl de wereld van de mobiele telefonie al twee keer zo groot is als het internet. We missen the bigger picture.”

De lector ziet onder meer een rol voor de Nederlandse Eurocommissaris Neelie Kroes, die sinds vorige maand de portefeuille Digitale Agenda beheert. „Kroes moet al haar expertise en de kennis die ze heeft opgedaan bij Mededinging in het dossier-Microsoft nu aanwenden tot Google”, zegt Lovink. „Wat ik de EU verwijt is dat ze het geld dat ze besteden aan ICT-onderzoek – miljarden euro’s, meer dan in Amerika – niet strategisch inzetten op het gebied van marktregulatie. Dit zijn compleet gescheiden werelden. Na Google komt vast wel weer een volgende moloch en we moeten eindelijk eens een patroon ontdekken in hoe dergelijke bedrijven werken.”

Als Lovink met Nederlandse collega’s over dit onderwerp praat, krijgt hij maar weinigen van hen enthousiast. „In Nederland is het serieus een non-thema.” Volgens Lovink speelt de Nederlandse handelsmentaliteit daarin een belangrijke rol. „Ik heb het idee dat men denkt: als je nou maar doet wat de Amerikanen doen, dan kun je er geld mee verdienen. We zijn echt een van de meest trouwe Google-slaven”, aldus Lovink.

Zelf e-mailt hij met een adres van de Nederlandse provider XS4ALL. „Ik zal zeker nooit inloggen bij Google.”

Gepubliceerd op 1 maart 2010 in nrc.next en op 9 maart 2010 in NRC Handelsblad.

Achtergrond, Internet & dagelijks leven, nrc.next

Een week geen zoekmachine, e-mail…

Google uit je leven bannen, het lijkt een eitje. Maar dan blijkt internet ervan vergeven te zijn

Door Ernst-Jan Pfauth en Peter Teffer

Rotterdam. You don’t know what you got till it’s gone. Om de vraag te beantwoorden hoe wijdverbreid de googlization van ons leven is geworden, besloten we vorige week maandagmiddag om een week lang geen diensten van het bedrijf Google te gebruiken. Dus niet googelen. Geen filmpjes kijken van YouTube, niet e-mailen met Gmail, de agenda Google Calendar buiten gebruik stellen, etcetera. Vanmiddag is de week voorbij. Dit zijn onze conclusies.

Doorgaan met lezen “Een week geen zoekmachine, e-mail…”

Internet & dagelijks leven, Interview, nrc.next

Verjaardagsfeestje met heel gezellige mensen

‘Ik heb me wel eens afgevraagd in hoeverre mijn werk als illustrator ‘zinvol’ is. Terwijl anderen levens redden of mensen van hun steenpuist afhelpen zit ik hilarische poppetjes te tekenen. Op een gegeven moment kreeg ik steeds vaker het compliment: ‘Ik word zo blij van jouw werk’. Fijn om te horen natuurlijk en ik maak me sindsdien niet meer druk over mijn bijdrage aan de maatschappij’, aldus een bijdrage op Moois Magazine, een weblog over de schoonheid van alledaagse dingen.

Over een goed boek, een marsepeinen poppetje, stiekem sinaasappels plukken in Portugal, of een elastiekje op straat in de vorm van een hartje. „Elke bijdrage is een klein cadeautje”, zegt ontwerper Rutger Middendorp via de telefoon. Hij is het weblog in oktober vorig jaar begonnen. „Ik wilde zonder restricties van een klant een tijdschrift maken over hoe leuk alledaagse dingen kunnen zijn”, aldus Middendorp.

Doorgaan met lezen “Verjaardagsfeestje met heel gezellige mensen”