Geen enkel bewijs voor die ‘gevaren’ van sociale media

opinieDe sociale media leveren veel gevaren op – tien maar liefst. Deze tien gevaren staan in het rapport De zwarte kant van sociale media, dat gisteren officieel is verschenen (pdf).

NRC Handelsblad was er vroeg bij. Op de dag voor Kerst verscheen het artikel ‘Homo digitalis mobilis: verslaafd, altijd en overal’, gebaseerd op dat rapport. Een mooi moment voor bezinning: zijn we niet te afhankelijk van de smartphone? De Slow Tech-beweging, schrijft Marc Hijink, pleit ervoor om ook af en toe offline te leven. Een prima pleidooi: er is inderdaad ook heel veel boeiends te beleven als je bent uitgelogd.

Maar hoe komt het rapport aan de tien problemen waarvoor dit pleidooi een oplossing zou zijn? Het NRC-artikel impliceert dat het gaat om een wetenschappelijke studie, maar het blijkt een ‘trendrapport’. De uitgever, het Verkenningsinstuut voor Nieuwe Technologie (VINT), is onderdeel van het ICT-dienstverleningsbedrijf Sogeti. Er is geen eigen onderzoek gedaan. Het is volledig gebaseerd op literatuur van anderen. Lees verder

Andrew Keen: ‘Ik ben de antichrist van Silicon Valley’

Internetnostalgie? Echt, het bestaat al, en met zijn twintig jaar is internet er niet te jong voor. In zijn nieuwste boek schrijft internetcriticus Andrew Keen althans enigszins weemoedig dat tieners nauwelijks nog bloggen en e-mailen. Ze zitten nu allemaal op Facebook en Twitter.

Lees verder

Sociale media: De nieuwe seksuele voorlichting

De ‘Facebookmoord’, het Facebookfeest-drama in Haren. Tieners kunnen op verschillende manieren in de problemen komen door sociale media. Naast seksuele voorlichting moeten ouders eigenlijk ook sociale media voorlichting gaan geven. Lastig, als je er zelf niet mee bent opgegroeid. Lees mijn artikel hierover dat deze maand is verschenen in Bright:

Gepubliceerd in Bright 48 (oktober-november 2012)

Generatie Z wordt niet minder sociaal, maar anders

In het Engels worden ze vaak de digital natives genoemd, de generatie die is geboren toen het internet al bestond. Een andere benaming is Generatie Z, en dat is ook de titel van een nieuw boek dat vandaag verschijnt. Een van de twee auteurs, Jos Ahlers, was vanochtend te gast in mijn radioprogramma op AmsterdamFM.

Lees verder

Meer dan 8 op 10 phishing-gevallen via sociale media

Cybercriminelen vissen nu vooral op sociale netwerken. (Foto Stock.xchng)
Cybercriminelen vissen nu vooral op sociale netwerken. (Foto Stock.xchng)

Net gehoord op de BBC-radio: Volgens een rapport van Microsoft maken cybercriminelen steeds vaker gebruik van sociale netwerken om persoonlijke gegevens (denk aan creditcardnummers) te ontfutselen. Inmiddels zou 84,5 procent van al het phishing, zoals deze vorm van internetfraude heet, via sociale netwerken plaatshebben.

Bijna twee jaar geleden was deze trend al te zien; in juli 2009 meldde Cisco al een verschuiving richting sociale netwerken. Naar aanleiding van dat rapport, schreef ik voor nrc.next een artikel over hoe dat phishing in zijn werk gaat. Ik citeer mezelf: Lees verder

Games en social media om de wereld te redden

Miljoenen pagina’s hebben vrijwilligers in hun eigen tijd geschreven op amateurencyclopedie Wikipedia. Waar halen mensen toch de tijd vandaan, vroeg een televisieproducer ooit aan internetauteur Clay Shirky. ‘Niemand die voor de tv werkt, mag die vraag stellen. Je weet heel goed waar die tijd vandaan komt’, reageerde hij bits.
De wereldbevolking kijkt jaarlijks meer dan een biljoen uur televisie per jaar. 1.000.000.000.000 uur. In die tijd hadden we wel 10.000 Wikipedia’s kunnen maken, betoogt Shirky. Sinds de opkomst van de vijfdaagse werkweek van ongeveer acht uur werken per dag heeft de mensheid een historische hoeveelheid vrije tijd. Shirky beschouwt de gezamenlijke hoeveelheid vrije tijd van de (opgeleide) wereldbevolking als een invloedrijk potentieel. Hij noemt dit het cognitieve overschot.

Shirky is enthousiast over het potentieel dat sociale media (web 2.0) bieden om betrokken burgers de wereld te laten verbeteren. Hij schreef daarover het boek Here Comes Everybody(2008, vertaald als Iedereen). Nu komt hij met een vervolg: Cognitive Surplus, Creativity and Generosity in a Connected Age (de vertaling verschijnt deze maand bij Business Contact alsSlimmer).

Wat we ook veel doen, is gamen. Een gemiddelde speler van de populaire online game World of Warcraft (WoW) besteedt daar tussen de 17 en 22 uur per week aan; als je alle manuren achter elkaar zou zetten die de gamers in WoW hebben doorgebracht, kom je op bijna 6 miljoen jaar. Wat nu als we de realiteit net zo aantrekkelijk konden maken als de spellenwereld, vroeg spelontwikkelaar Jane McGonigal zich af. In het boek Reality Is Broken, Why Games Make Us Better and How They Can Change the World beschrijft McGonigal niet web 2.0, maar ergens een spel van maken, als dé manier om ons cognitieve overschot beter te gebruiken.

Smartphone
McGonigal gaat verder dan Shirky en ziet spellen als een manier om de wereld te verbeteren. Zo ontwikkelde de Amerikaanse vrijwilligersorganisatie First Aid Corps een spel voor de smartphone, waarbij deelnemers elke openbare defibrillator die ze zien fotograferen. Zo bouwen ze aan een virtuele kaart ‘die echte levens kan redden’. En in 2008 schakelden wetenschappers de hulp in van gamers met een Playstation 3 om virtueel eiwitten te vouwen. Deelnemers aan Foldit hielpen op die manier onderzoekers die ziektes proberen te bestrijden.

Het probleem met crowdsourcing – het inschakelen van het online publiek – is echter dat je er een veel mensen voor nodig hebt. Aan het project Investigate Your MP’s Expenses van The Guardian hielpen ruim 27.000 mensen mee om 458.832 declaraties van Britse parlementariërs te beoordelen op relevantie – bijna de helft van de klus is nu geklaard. Dit project valt duidelijk ook onder Shirky’s cognitieve overschot, maar volgens McGonigal was de onderneming alleen maar succesvol omdat het spelelementen bevat: deelnemers speuren in documenten naar misstanden en de meest productieve deelnemers krijgen een eervolle vermelding (vergelijkbaar met een plaatsje in de high score).

Shirky is bescheidener dan McGonigal, maar verzuimt niet enkele voorbeelden te noemen van burgerbewegingen die inderdaad een grote impact hebben gehad. Hij beschrijft hoe Nisha Susan in India met behulp van Facebook een campagne voerde tegen religieuze extremisten. Na een aanval van die fundamentalistische Sri Ram Sene op vrouwen opende Susan een Facebook-groep waarmee ze vrouwen opriep uit protest roze ondergoed te sturen naar de leider van de extremisten. De publieke verontwaardiging over het geweld was het duwtje voor de autoriteiten om leden van de beweging op te sluiten. Daarmee werd een geplande aanval op vrouwen met Valentijnsdag voorkomen.

Kenianen
Een ander voorbeeld dat Shirky noemt is Ushahidi, een website die Kenianen oprichtten tijdens het geweld dat daar na de verkiezingen van eind 2007 uitbrak. Via mobiele telefoons leverden gewone burgers informatie aan over waar en wanneer aanvallen plaatsvonden. De dienst is nu beschikbaar gesteld voor andere landen.
Beide auteurs zijn lyrisch over de mogelijkheden, maar geven toe dat de killer website of de killer game nog niet is uitgevonden. Het spel Chore Wars, waarbij huishoudelijke taken worden beloond met punten, kan misschien wel relaties redden. En het leersysteem Quest to Learn, waarbij een school spelelementen gebruikt, is voor kinderen die moeite hebben met leren mogelijk een originele oplossing. Maar McGonigal geeft toe dat de meeste voorbeelden van deze alternate reality games (ARG) slechts een indicatie geven van wat de nieuwe mogelijkheden zouden kunnen zijn. McGonigal: ‘Er is nog geen ARG die de wereld verandert.’

Ook Shirky is gelukkig geen technofundamentalist die heilig gelooft in vooruitgang door technologie. ‘Technologie maakt [burgerbewegingen als Ushahidi] mogelijk, maar veroorzaakt ze niet.’ Jammer is dat beide schrijvers te weinig eigen vergezichten leveren over wat we nog mogen verwachten aan wereldverbeterende web- en game-initiatieven. Vooral Shirky schrijft dát er van alles mogelijk is, maar komt niet met eigen toekomstvisies.

Gepubliceerd op 11 februari 2011 in nrc.next en de bijlage Boeken van NRC Handelsblad. Lees ook op nrcboeken.nl of download als pdf.

Twitterrevolutie in de Arabische wereld?

Voorhoede van twitteraars rap geblokkeerd

De ‘Twitterrevolutie’ wordt sinds 2009 met regelmaat uitgeroepen. Maar nog geen machthebber is door twitterrevolutionairen alleen verdreven.

Rotterdam, 31 jan. Internet werkt weer in Egypte, een beetje. Via een moderne versie van de luchtbrug: via een kleine Franse internetprovider kunnen Egyptenaren met een ouderwetse modem naar een Frans telefoonnummer inbellen. Een verbinding die vele malen trager (en duurder) is dan wat de 21e-eeuwse internetter gewend is, maar het werkt.

De Egyptische autoriteiten vrezen sociale media, dat is volgens Twitteraars nu wel bewezen. Waarom anders nam Egypte de haast ongekende stap het internet vrijwel ‘uit’ te zetten? Voor zover bekend daalde nooit eerder het aantal internetverbindingen vanuit een land naar de rest van de wereld zo snel als donderdagavond.

Lees verder